Van aardappel tot frites
Van aardappel tot frites - Aardappelteelt -
Het teeltproces van aardappelen kan worden onderverdeeld in 5 stappen:
A) grondbewerking B) planten C) groei D) oogst E) bewaren

Grondbewerking
Ieder voorjaar maken de telers de grond gebruiksklaar voor de teelt.
De grond wordt luchtig gemaakt en bemest, zodat de aardappelen onder
de meest gunstige omstandigheden kunnen groeien. Het planten vindt eind
maart of in april plaats. De plantdatum is afhankelijk van de grondsoort.
Zo kan er op de lichte gronden, zoals zand, eerder geplant worden dan
op de zware gronden, zoals klei. De pootaardappelen worden met een plantmachine
in de grond geplant. Planten
De aardappelen komen in kleine ruggen (dijkjes) te liggen, waardoor
zij gemakkelijker geoogst kunnen worden. Om genoeg volume in de ruggen
te hebben worden de ruggen 3 weken na het planten opgehoogd. Als de
ruggen niet groot genoeg zijn, zullen de aardappelen naar buiten groeien
waardoor ze door de zon groen zullen worden.
Groei
Door de zon en het vocht en de voedingsstoffen uit de bodem zal de plant
volop groeien. Er is echter een grote vijand van de aardappelplant;
de schimmel Phythophthora. Deze schimmel tast de bladeren en knollen
van de plant aan. Bij een zware aantasting zal de gehele plant dood
gaan en worden de knollen in de grond besmet en gaan ze rotten. Door
enkele malen een bespuiting uit te voeren, proberen de telers de schimmel
te weren. Alleen zo kan de aardappelplant geheel volgroeien.
Oogst
Het oogsten van de aardappels vindt plaats met een aardappelrooimachine.
Deze machine schept de hele ruggen met aardappelen op. In de machine
wordt de grond gezeefd door een spijlenketting, de grond valt door de
spijlen terug op het land en de aardappelen blijven op de spijlenband
liggen. Met behulp van een bandje worden de aardappelen naar een langsrijdende
kipper getransporteerd, die de aardappelen van het veld afvoert.
Bewaren
De rijptijd van het ras bepaalt wanneer de aardappelen zijn volgroeid.
Aardappelrassen met een vroege rijptijd worden medio juni/juli geoogst.
Deze vroege aardappelen worden direct van het land naar de fabriek gereden
om daar verwerkt te worden. Aardappelen met een late rijptijd worden
medio oktober geoogst. Deze rassen worden meestal in een aardappelbewaarschuur
gereden. Deze bewaring is nodig omdat na oktober rooien niet mogelijk
is vanwege de hoeveelheid neerslag en vorst die dan gebruikelijk is.
Dit betekent dat alle aardappelen die tussen oktober en juni (nieuwe
oogst) verwerkt worden uit een bewaarschuur komen. Tijdens de bewaring
wordt regelmatig met grote ventilatoren lucht door de aardappelen geblazen,
zo blijven ze gezond en gaan ze niet rotten.
2. Fritesproductie
Stenen en kluiten kunnen de machines zwaar beschadigen. Het is dus belangrijk dat deze er als eerste uit worden gehaald. In de ontstener en/of kluitenscheider zakken de stenen en andere zware bestanddelen naar beneden, terwijl de aardappelen met de waterstroom mee bovenlangs verder worden geleid. Na de ontstening gaan de aardappelen door de voorwassers om de aanhangende grond er af te wassen. Ook het aardappelloof en andere drijvende delen wordt verwijderd d.m.v een drijnvende delen scheider Vanuit de voorwassers vallen de aardappelen in een zoutbad (optioneel), waar de aardappelen met een laag soortelijk (onderwater) gewicht worden gescheiden van de rest.
De fritesgeschikte aardappelen komen onder uit het zoutbad en worden door een wasser verder getransporteerd naar de stoomschiller. De aardappelen met een laag soortelijk gewicht zijn lichter waardoor ze gaan drijven en uit de stroom worden verwijderd. Door hoge druk op de aardappelen te zetten, ontdoen we de aardappelen van hun schil. Door van hoge druk naar normale druk te gaan, laat de schil vanzelf los (expansie). In de borstelmachine borstelen we de schil van de aardappelen. Vervolgens worden ze over een aantal rollen getransporteerd waarbij door de loofscheider eventueel achtergebleven loof wordt afgevoerd.
Op de inspectieband (of kleursorteerder) verwijderen we handmatig de onrechtmatigheden die nog tussen de aardappelen zitten, zoals loof en groene aardappelen. De sorteerrollen scheiden de grote van de kleine aardappelen alvorens ze naar de watermessen worden getransporteerd. De aardappelen worden met hoge snelheid door de messenblokken gepompt, waardoor de fritesstaafjes worden gesneden. Ze gaan vervolgens met hoge snelheid over de fritessorteerders met dekken waarin ronde gaten zitten. Zo sorteren we de staafjes met dezelfde lengte. De te korte en te dunne frites gaan naar de vlokkenlijn. De goede frites gaan naar de elektronische sorteerinstallatie. De optische sorteermachines verwijderen fritesstaafjes met verkleuringen uit de goede stroom. Cameras die de frites van diverse kanten bekijken, controleren de frites op gebreken (zwarte puntjes, stukjes schil e.d.) Zodra de cameras een gebrek op de fritesstaafjes ontdekken, wordt dit staafje met luchtdruk uit de stroom geblazen. De staafjes met gebreken gaan naar de vlokkenlijn. De frites worden geblancheerd, zodat een goede gaarheid van het eindproduct kan worden verkregen.
Na de blancheurs gaan de frites door een waterstroom waar door middel van een aparte behandeling de kleur wordt verbeterd. Voordat de frites de bakoven in gaan, halen we het aanhangend vocht eruit en drogen we de frites in om een krokant eindproduct te krijgen. Op de homogenisatieband wordt het resterende vocht in het fritesstaafje verdeeld, zodat later bij het bakken geen blaasjes ontstaan. In de bakoven worden de frites ongeveer 1 minuut voorgebakken in palmolie. Een filter filtert de olie voortdurend en verwijdert kruim. Na het bakken koelen we de frites zo snel mogelijk tot 4°C, zonder dat ze aan elkaar gaan klonteren. In de vriestunnel wordt het product uiteindelijk diepgevroren tot -12°C.
3. Vlokkenlijn
De vlokkenlijn begint na het optisch uitsorteren. In de
trechter erboven vangen we de fritesstaafjes op die niet aan de kwaliteitseisen
voldoen.
Deze staafjes zijn de basis voor aardappelvlokken. Dit is een grondstof
voor bijvoorbeeld onze specialiteiten, zoals aardappelkroketten, rösties,
noisettes en duchesses. De blancheur gaart de fritesstaafjes voor om later
puree te krijgen die voldoende gaar is.
Een koeler zorgt ervoor dat de puree voldoende stevig is. Het koken van
de fritesstaafjes gebeurd met stoom, totdat een puree ontstaat die net
gaar is.
Deze puree gaat via schroeven of een lobbenpomp naar de bovenkant van
de wals.
Op de walsdroger, die met stoom wordt verwarmd, wordt de
aardappelpuree gedroogd en ontdaan van vervuilingen die aan de opbrengrollen
blijven kleven. De puree wordt aan de ene kant van de wals met verschillende
rollen in een dunne laag op de wals aangebracht.
Door de hoge temperatuur van de binnenste grote wals verdampt het water
uit de pureelaag en ontstaat er een vel dat aan de wals blijft kleven.
Dat vel snijden we aan de andere kant van de wals eraf. De flaker slaat
het pureevel in kleine stukjes (vlokken) in verschillende groftes.
Het zo ontstane product zuigen we af en pakken we vervolgens in.
4. Inpakafdeling
Op de inpakafdeling wordt diepgevroren frites verpakt in
hanteerbare eenheden. Op de weeginstallaties komen de frites in zakjes
van 450g tot en met 5 kilozakken terecht. Vervolgens worden de zakjes
gecontroleerd en voorzien van de juiste data en codes
op de doos. De dozen worden automatisch op pallets gezet. De laatste fase
is het wikkelen van de pallets en het transport naar
het vrieshuis voor opslag.


